mijn dag

Nieuws
31 december 2018 geplaatst

Het zal je dochter maar zijn, zei dominee Zondag in zijn preek

Die zondag had hij gepreekt over het verliezen van een kind. Een dag later verloor Wijnand Zondag dochter Rhodé. De dominee van de Gereformeerde Gemeente in Woerden blikt terug: ‘Als ik ergens troost in krijg, is het dat Hij mee weent.’

Er is veel wat herinnert aan Rhodé Zondag. Haar voornaam staat in letters op de voordeur, tussen de namen van haar broers en zussen. Haar mooie gezicht prijkt in een grote fotolijst op het dressoir, en op de rouwkaart, die dominee Wijnand Zondag (45) voor het grijpen heeft. Ze doemt op in de manier waarop hij over haar praat en haar beschrijft. ‘Mijn Roosje’, een rustig en gevoelig meisje van 14, dat op een warme voorjaarsdag in april onder een bus kwam.

Het was dit tragische ongeval dat Wijnand Zondag, zijn vrouw Femmeke en hun kinderen Niek, Nelline, Jan Chris, Ferdinand en Madelief het afgelopen jaar in het dal van de schaduw van de dood bracht – zo’n psalmregel die de dominee ergens in het gesprek zomaar noemt als beeld.

Het ongeluk op die maandagmiddag 15 april rond een uur of twee haalde de voorpagina van Nederlandse kranten om een andere reden: de avond ervoor had Zondag, tot 2015 hoogleraar arbeidsrecht, in de Gereformeerde Gemeente te Woerden gepreekt over het verliezen van een kind. ‘Kun je dan zeggen: Uw wil geschiede? Het zal je dochter maar zijn.’ Dat raakte die maandag snel bekend. De preek is sindsdien via internet meer dan zestigduizend keer beluisterd.

Hij hield ‘een bedrukte preek’ – dat was die zondagavond zijn gezin ook opgevallen –, vertelt hij op zijn werkkamer, waar geluiden van het dagelijks gezinsleven doordringen. Madelief van anderhalf struint de kamer binnen, een zoon vraagt om de laptop omdat hij iets voor school moet doen. Niet alles is voor de krant, zegt Zondag soms; zelf vertelt hij zonder terughoudendheid. Het verlies is nog vers, de dominee schaamt zich niet voor zijn tranen. ‘Iedere dag huil ik nog, maar soms vind ik ook weer de moed en kracht om dingen te doen.’

aanvechting

Waar te beginnen? Er is die preek, met de onderliggende vraag naar Gods wil en het lijden. Er zijn de feiten van het verkeersongeval, dat velen heeft geraakt. Er was voor Zondag de persoonlijke aanvechting: was dit straf of beproeving, Gods gesel of roede? Ze kennen de troost dat Rhodé bij God is – wat niet vanzelf spreekt in reformatorische kring – maar dat neemt de schrille pijn niet weg. ‘De geestelijke troost is een bodem. Maar wel een bódem: er is ook een put, een heel diepe put.’

Rhodé werd in het gezin altijd Roos genoemd, of Roosje. Omdat ze zichzelf zo noemde. Ze is begraven in een witte kist, met daarop een gebroken roos. De kist werd gedragen door haar vader, broer Niek en enkele vrienden. Hij deed zelf de dienst, maar, zeiden heel veel mensen, ‘jullie hebben haar als gezin begraven. Alle kinderen leverden een bijdrage: haar zus Nelline en broer Niek deden het “in memoriam”, de twee jongere broers kondigden Psalm 133 aan. Dat vond ik mooi.’

‘Ze was beeldschoon’, zegt hij, ‘van buiten en van binnen. Een zacht meisje, supergevoelig, bang voor boos.’ Rhodé was graag op zichzelf en zocht geen aandacht, reden voor Zondag zich in eerste instantie af te vragen of een interview passend zou zijn. ‘Ze had haar eigen denk- en droomwereldje. Voelde ze zich niet veilig bij je, dan hield ze zich op grote afstand.’

181229095142.181228135409.img-p14dswijnandzondag-eb2018-181128dv066_cropped-14-266-169-67-50.shrink.1280x0.jpg

Ze was op jonge leeftijd al erg met de dood bezig, herinnert haar vader zich. ‘Heel vaak zei ze: en als ik nu niet wakker word, wat dan? Waar ben je dan bang voor? Ja, voor God. Ze had een sterke indruk van Gods heiligheid. Ach kind, dacht ik dan bij mijzelf, je hebt nog geen vlieg kwaad gedaan. En toch zo’n teer geweten. Dat vond ik wel bijzonder.’ Was ze bang, dan wees hij haar op de Here Jezus. ‘Je weet toch wie de Here Jezus is? Hij nodigt de kinderen uit, Hij is ook voor kinderen gestorven. Geloof jij, heel concreet, dat Hij ook voor jou wilde komen en voor jouw zonden wilde lijden en sterven? Dan bleef het een poosje stil, keek ze mij aan en knikte: ja, papa, dat geloof ik. Dan hoef jij niet bang te zijn. En dan zag je haar rustig worden. Ik herinner me haar vervolgvraag ook nog goed: papa, zijn er ook baby’s in de hemel? Ik houd zo van baby’s … In een dagboekje, dat we onlangs van haar vonden, schrijft ze dat ze gelooft dat Jezus ook voor haar heeft geleden en dat Hij daarom ook voor haar zorgt.’

een lijnbus

Ze fietste die maandag naar huis vanuit de Driestar in Gouda, waar ze op het vwo zat. Met een vriendin, ze waren vroeg uit. Normaal fietste ze nooit aan de buitenkant, nu wel. Op een doorgaande weg, voor een openbare school, werd ze geschept door een lijnbus die daar, oordeelde het Openbaar Ministerie naderhand, niet had mogen inhalen.

De slechte tijding werd gebracht door twee agenten aan de deur. ‘Ik was hier aan mijn bureau bezig. Geloof het of niet, maar de bijbel lag open bij Jakobus 1: Acht het voor grote vreugde dat u veel beproevingen ondergaat. En: als wijsheid ontbreekt, bid er dan om.’ Hij zou er een bijdrage over schrijven voor een boekje en had net in een commentaar gelezen dat het hier om wijsheid in de beproeving gaat. Als God je geloof op de proef stelt. ‘Als je de weg niet meer weet ... Het kan zo ongelooflijk diep gaan, dat je de weg niet meer ziet, dat je niet meer begrijpt wat God aan het doen is. Roep dan tot God om wijsheid hoe hiermee om te gaan. Terwijl ik dat opschrijf, zie ik een politieauto komen aanrijden. Hé, die gaat hard. En dat is apart, ze stoppen meteen hier.’

De uren en dagen die volgen zijn verschrikkelijk. Gezinsleden moeten worden geïnformeerd, sommigen keren halsoverkop terug uit het buitenland. Rhodé moet geïdentificeerd worden, Wijnand Zondag wil dat zelf doen. Eenmaal achter de hekken van het ziekenhuis wordt hij gevraagd een halfuur te wachten. Dat worden drie lange uren, in een ruimte waar sommige medewerkers het overduidelijk gezellig hebben terwijl hij wordt verscheurd. ‘Dat was zo bizar. Ja, lekker weertje, hoor ik iemand zeggen, maar ik sta hier bij het mortuarium te wachten op mijn dochter …’

Psalm 77

Zelf hield hij het in die eerste dagen binnen niet uit. ‘Ik kreeg het telkens benauwd en moest naar buiten. Extra zuurstof inademen, lopen, roepen tot God.’ Het was kruipen door Psalm 77, zegt hij. ‘Als ik één psalm heb leren kennen, dan die. De dichter zegt: ik strekte mijn hand uit tot God, maar Hij was er niet. Je ziet Hem niet, ervaart Hem niet … Hoewel, de dingen die ervoor waren gebeurd, waren niet zomaar. Dat is het eerste wat ik tegen die agenten aan de deur heb gezegd: ik heb hier gisteravond over gepreekt. Dan sta je even in het geloof en zeg je wat, daarna zak je weer weg.’

‘Mijn schreeuw naar God was niet of Hij bestond. Het was de vraag: is dit in Uw gunst of in Uw ongunst? Is dit om mij te laten zien dat ik een bastaard ben of dat ik een kind ben? Ik was heel bang dat ik een bastaard zou zijn. Ben ik echt een geroepen knecht van God? Ik werd op de zeef gelegd, echt op de zeef. Dat heeft twee dagen geduurd. Laat merken, bad ik, dat U ervan afweet, dat U mij ondanks al mijn tekorten toch liefhebt. Anders moet ik stoppen, moet ik wat anders gaan doen. Ik kan Uw dienaar niet zijn als ik niet ook Uw kind ben. Dat was mijn worsteling.’ In de bewuste preek de dag voor het ongeval sprak hij de vrees uit in opstand te komen tegen God. In werkelijkheid kwam er aanvechting. Rust vond Zondag in de geschiedenis van Lazarus, en in oude formuliergebeden van de kerk, voor ziekte en in uiterste nood. ‘Dat heeft mij zo getroost, daarin heb ik rust gevonden. Dat is de kerk der eeuwen, die je dan in het hart kijkt. Dat de bidder zegt dat we duizend- en duizendmaal meer en erger verdienen. Ik dacht: ach Heer, gelukkig, hij was ook niet zo’n beste, die bleef ook een zondaar.’ Zo vond hij de rust zelf de begrafenisdienst te leiden.

Hij kreeg, en ook dat was bemoedigend, mooie en persoonlijke brieven. Telefoontjes ook, tot uit de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en de Protestantse Kerk toe, soms anoniem, met authentieke ‘getuigenissen’ over Rhodé: dat ze veilig was bij God, dat het goed was met haar.

Tegelijk, dat moet ook gezegd, vinden mensen het moeilijk om lang mee te rouwen, zegt Zondag. Snel, te snel breekt het gewone leven weer binnen: preekverzoeken, gevraagd voor een lezing zus en zo, gezelligheid op een kerkplein, onbedoeld deed het pijn. Geloofsgenoten verwachten snel, vaak te snel, dat je troostvolle woorden spreekt. ‘Je mag toch weten dat ze bij God is? Er is dan te weinig aandacht voor het enorme gat dat is geslagen, voor je ontreddering, verdriet en gemis. Veelzeggend is de opmerking: jullie hebben een moeilijke tijd achter de rug. Hoezo achter de rug?’ Niet-gelovigen staan soms nadrukkelijker stil bij de hevigheid van het verlies, is hem opgevallen. Dat was vertroostend. Burgemeester Victor Molkenboer leefde persoonlijk mee, ‘hij ging eens als een vader naast me zitten’. Minister Ferdinand Grapperhaus stuurde een persoonlijke brief ‘en sloeg onlangs, bij een receptie in Den Haag, letterlijk een arm om mij heen’.

weinig van mezelf

Spijt van de preek heeft hij niet gehad. ‘Die heb ik moeten houden, dat was geleid door de Geest. Er zijn er waarbij je voelt: daar was weinig van mezelf meer bij, dat was gewoon de Geest.’ Hij was in de voorafgaande week erg bezig geweest met staatssecretaris Paul Blokhuis die weer aan het werk ging nadat hij enkele weken ervoor zijn dochter had moeten begraven. Dat bracht hem tot die zin: ‘het zal je eigen dochter maar zijn’. Hij had overwogen, zijn vierde dienst die zondag, een andere preek te houden, en ontdekte achteraf dat hij bijna de hele preek uit zijn hoofd had gedaan. God en het lijden – dat thema blijft. Zondag ervaart houvast bij Job, en de opstanding van Lazarus. Bij Job, die ál zijn kinderen moest kwijtraken, laat God ‘zich niet verantwoorden’. Dat is een zin die hij herhaalt: ‘God laat zich niet verantwoorden’, er komt geen antwoord op het waarom. Anders is het bij Lazarus. Maar daar komt Jezus te laat. Hij laat de chaos toe, zegt Zondag, Hij wilde het sterven van Lazarus overduidelijk niet voorkomen. Marta verwijt Hem dat, Maria komt haar huis niet eens uit, die mag huilen, en Jezus huilt mee. ‘Dan is de verwarring compleet. Dat vind ik zo ontzettend vertroostend: dat Jezus ons laat zien, Ik voorkom dat niet, Ik laat de dood komen. Hij huilt, Hij weent mee, Hij laat zich in zijn God-menselijke hart kijken. Als ik ergens troost in krijg, is het dat Hij mee weent. Hij gaat mee, Hij is de medelijdende hogepriester in de hemel.’

Hij was, door die preek, voorbereid op het verlies, zegt Zondag. ‘Dat is nog steeds wat me drijvende houdt: het is niet zomaar, hier is God bezig geweest, Hij heeft zijn kind thuisgehaald, Hij heeft gewoon zijn kind thuisgehaald. Ja, dat meisje, dat kende een heel teer leven, het was een jonge bloem. Een jonge bloem die Hij bij zich wilde hebben.’

Tekst: Gerard ter Horst
Beeld: Dick Vos