mijn dag

Nieuws
9 dagen geleden geplaatst

Gevlucht voor ultraorthodoxe joden

Mannen verlaten een streng religieuze gemeenschap wanneer ze beginnen te twijfelen aan het bestaan van de God van die gemeenschap. Vrouwen denken daar niet over na maar vertrekken omdat ze de vernederingen niet langer aankunnen.

En ja, dat is generaliserend. Maar Deborah Feldman (1986) weet het zeker. Want het is haar verhaal. Een verhaal van een meisje dat opgroeit in de ultraorthodoxe Joodse Satmargemeenschap in hartje New York. Waar Engelstalige fictie uit den boze is, het zionisme een duivelse ideologie, belezen mannen met baarden de dienst uitmaken en de religieuze wetten de staatswetten overbodig maken.

Feldman vertrok na een reeks vernederingen, een gedwongen huwelijk op haar zeventiende en de geboorte van haar zoon, een jaar later. Waarom zou de gemeenschap die haar, de dochter van een zwakzinnige man en een uitgetreden vrouw, zo vol argwaan bekeek haar zoon met andere ogen beschouwen? Dus ging ze, liet haar man achter en schreef haar verhaal. Het werd direct bij het verschijnen in 2012 een bestseller. Nu is Onorthodox ook in het Nederlands beschikbaar.

Waarom is dit boek zo populair?
‘Dat het zo populair is, had ik nooit verwacht. Misschien was het gewoon een kwestie van goede timing. Het is wel een typisch Amerikaans verhaal van een vrouw die opgroeit in een streng religieuze gemeenschap, deze verlaat en haar droom waarmaakt. Dat is heel Amerikaans: doe het zelf, maak het waar.’

Doe het zelf, maak het waar. Groter zonde bestaat niet in de Satmargemeenschap. Hoe dat komt, is een lang verhaal, waarschuwt Feldman. Zonder een antwoord af te wachten steekt ze van wal.

180914072235.180913230420.img-p04mw-nld-18-1010_cropped-16-242-214-106-20.shrink.1280x0.jpg

‘Eens was het jodendom een godsdienst zoals alle andere. Er was een land en er was een tempel. Het volk offerde een deel van de opbrengst van het land in die tempel zodat God het land vruchtbaar zou maken. Maar de tempel werd verwoest. De tempel daarna ook en het volk moest in ballingschap. Alles was verloren. Nooit meer een land en een tempel. Tot God verscheen en zei: “ik bouw een derde tempel voor jullie. Een eeuwige, die niemand kan vernietigen. Zondig daarom niet meer en beloof drie dingen. Zweer het. Neem nooit het land zelf in, gehoorzaam aan de autoriteiten in het vreemde land en wees anders, laat zien dat je niet bent zoals de omringende volkeren.”

De Joden raakten verspreid, een grote groep kwam naar Europa. Zonder land en tempel, terwijl alle regels en rituelen nu juist daarover gingen. Daarom bedachten de rabbi’s iets: het gaat om de tekst, die moet je als Jood kennen. Ze interpreteerden de Bijbel opnieuw, schreven de Talmoed. En zo werd je Joods door te lezen. Dat ging duizend jaar goed. Maar de haat tegen de Joden nam toe, armoede was het gevolg en de Joden konden hun zonen niet langer leren lezen. Gelukkig was er een rabbi die een oplossing had: hij vond het chassidisme uit en zei dat je de tekst niet nodig had omdat je God kon voelen in je hart. Orthodoxe rabbi’s noemden hem een ketter, veel mensen luisteren echter naar hem.

Onder invloed van de Verlichting kwam het zionisme op. Een grote bedreiging voor de chassidiem. Want: wie zelf het land inneemt, breekt de drie eden. Wanneer de zionisten door zouden zetten, zou de derde tempel er nooit komen. De chassidische rabbi van Satu Mare, een stad in Hongarije, begon te profeteren: God zal een verschrikkelijke waarschuwing sturen. De Holocaust. Zie je wel, zei deze rabbi. Hij vertrok na de oorlog naar Amerika om daar de Satmargemeenschap verder op te bouwen en was streng, heel streng. Want om de eeuwige tempel toch te krijgen, mochten de drie eden nooit meer gebroken worden.’

En zo kan een chassidische gemeenschap in hartje New York leven alsof er geen New York bestaat. Het isolement is heilig, geen tittel of jota mag er van de strenge spijs- en reinigingswetten verloren gaan. Dan kan het zelfs zomaar gebeuren dat een vader zijn masturberende zoon de keel doorsnijdt, want deze jongen brengt de komst van de eeuwige tempel in gevaar.

En iedereen accepteert dat.
‘Ja, voor een groot gedeelte wel. Tot het internet kwam. Als je op je smartphone bij Google intikt: ‘bestaat God’, zegt Google: misschien. Dan ga je twijfelen. Als man, tenminste. Zij verlaten de gemeenschap als ze over het bestaan van God gaan twijfelen. De omstandigheden waarin ze hun geloof beleven, vinden ze niet zo belangrijk. Vrouwen wel. Die verlaten de gemeenschap om praktische redenen, omdat hun echtgenoot hun veel pijn doet, of ze niet willen dat hun kinderen op die manier opgroeien. Over God denken ze niet na, dat komt later wel. Eerst veiligheid. Zo dacht ik er ook over: toen mijn zoon werd geboren wist ik dat ik dit leven voor hem niet wilde.’

Je bespreekt in uw boek vooral misstanden. Maar heb je ook goede herinneringen aan je tijd in de Satmargemeenschap?
‘Ja, dat zie je in het boek ook: ik had een hele goede relatie met mijn oma. Wat ik ook merk is dat ik niet zo snel verveeld ben, zoals veel mensen van mijn leeftijd dat wel zijn. Ik geniet van elke dag, nu ik vrij ben. Ik denk weleens: misschien moet je eerst het tegendeel ervaren voor je dat beseft.’

Haar oma zag ze nooit meer terug. ‘Ik mocht haar niet zien. Gelukkig was ze dement toen ik vertrok. Een grote troost: ze heeft dus nooit geweten dat ik weg was. Dat maakte het voor mij een stuk gemakkelijker.’

Je bent vertrokken op je 23e. Welke ervaring heeft je tot die tijd het meeste pijn gedaan?
‘Psychologisch gezien is dat de manier waarop ik werd behandeld omdat mijn vader en moeder niet voor me konden zorgen. Mijn vader was zwakzinnig, mijn moeder had de gemeenschap verlaten en ik moest daarom worden opgevoed door mijn grootouders. Het was alsof iedereen steeds tegen me zei: met zulke ouders ben jij niets waard. Ze lieten mij me verantwoordelijk voelen voor de problemen van mijn ouders. De invloed daarvan op mijn onderbewuste merk ik nog steeds: af en toe kom ik in situaties waarin ik denk: zie je, ik ben niets waard. Op dat moment moet ik me realiseren waar die gedachte vandaan komt.’

Met zo’n ervaring moet het lastig zijn mensen te vertrouwen.
‘Ja, maar toch lukt me dat. Ik denk door mijn oma en mijn zoon. Zeker een kind helpt enorm bij het terugwinnen van vertrouwen in mensen.’

Helemaal ontheemd was Feldman niet toen ze de chassidische gemeenschap de rug toekeerde. Vanaf haar 21e volgde ze literatuurlessen aan de universiteit. Uiteraard wisten haar schoon- en grootouders van niets, haar man liet het oogluikend toe. Ze sprak er voor het eerst Engels, Jiddisch was de taal van haar gemeenschap. Engels wat ze zich had aangeleerd door stiekem Jane Austen te lezen. Een taal waarvan ze niet wist hoe ze het uit moest spreken. ‘Duits is nu mijn taal, omdat ik in Berlijn woon en werk. Duits voelt vertrouwd, het lijkt meer op Jiddisch. In het Engels heb ik me nooit echt thuis gevoeld.’

Waarom heb je er voor gekozen naar Duitsland te gaan?
‘De vader van mijn grootvader van moeders kant was Duits. Ik dacht dus een Duits paspoort te kunnen krijgen, maar toen bleken mijn documenten niet te kloppen en stuitte ik op een familiegeheim: ik ontdekte dat zijn moeder net als ik was vertrokken uit een chassidische gemeenschap in Polen, om samen te wonen met een katholieke man. Hun zoon was mijn overgrootvader. Voor de Tweede Wereldoorlog wilde hij volledig Duits worden, maar dat mocht niet omdat zijn moeder Joods was. Uiteindelijk huwde hij een Joodse vrouw en vluchtte naar Engeland en beweerde daar helemaal Joods te zijn. Door die leugen klopten mijn documenten niet. Uiteindelijk heb ik het paspoort gekregen, maar ik vind dit een mooi verhaal. Ik identificeer me met zijn moeder, omdat ook zij meer dan één identiteit had. Ik voel me daarom thuis in Berlijn, al speelt de taal en cultuur hierbij ook een belangrijke rol.’

Je refereert in Onorthodox geregeld aan Chaim Potok, een schrijver die eveneens van binnenuit de chassidiem in New York beschrijft. Hij lijkt veel positiever te zijn over de chassidische traditie.
‘Potok heeft gelijk, Satmar is een uitzondering. Je kunt dus echt wel mooie verhalen vertellen over de chassidiem. Maar: Potok is een man, die hebben vaak een ander perspectief, zoals je dat ook heel goed ziet in de verschillende beweegredenen van mannen en vrouwen om zo’n gemeenschap te verlaten.’

Je hebt gebroken met de chassidische traditie en je wil je als vrijdenker achter geen enkele traditie meer scharen. Maar kan dat wel, een individu zijn zonder enige verbondenheid met een traditie?
‘Ik denk het wel. Je kunt gewoon een brede interesse tonen, bereid zijn overal over te denken en te praten zonder je in een hokje te laten plaatsen. Daar heb ik helemaal geen zin in.

Ik vind het daarom ook een goedkope leugen om te zeggen dat moraal is gebaseerd op religie. Juist niet, zou ik bijna zeggen. Ik heb veel immoreels gezien. In Duitsland kun je als kind kiezen of je naar een klas gaat over het christendom of de ethiek, wat op het humanisme is gebaseerd. Dat vind ik beter.’

Maar het humanisme is toch ook een traditie?
‘Ja, misschien wel, maar het is niet zo strikt. Opvattingen kunnen veranderen vanuit een humanistisch perspectief. Dat geeft ruimte.’

Betekent God nog iets voor jou?
‘Ik zie hem vooral als een concept: dat van goddelijkheid. Zoals mensen bijvoorbeeld geraakt kunnen worden door schoonheid of de natuur.’

Wat is volgens jou een goede plaats voor religie in de maatschappij?
‘Religie op zichzelf is, denk ik neutraal. Het gaat over de tekst, over een geloofssysteem. Maar het gaat fout wanneer mensen religie inzetten om hier zelf machtiger van te worden. Zoals bijvoorbeeld in India gebeurde, met het kastensysteem en ook wel in de Satmargemeenschap, waar opportunisten de meeste macht hebben.

Dit kan gebeuren omdat in Amerika godsdienstvrijheid te veel gewicht krijgt. De vader die zijn zoon vermoordde omdat hij masturbeerde, is bijvoorbeeld niet vervolgd. Waarom? De Satmargemeenschap heeft een eigen politie die zaken onderzoekt. Daarna komt de staatspolitie en die vraagt wat ze hebben gevonden. Zegt de Satmarpolitie dat er niets aan de hand is, dan laat de politie van de staat het er verder bij zitten. Politici accepteren dat, want ze willen geen stemmen verliezen.

Religieuze wetgeving mag wat mij betreft niet in strijd zijn met de waarden en wetten die een staat heeft. Je ziet dat maatschappelijke en religieuze waarden, zeker in Europa, met elkaar zijn meebewogen. Dat lijkt me goed. Bij de Satmar gaat dat mis: die willen in hun geïsoleerde positie wel nemen, van het geld wat de overheid voor scholing geeft bijvoorbeeld, maar niets geven, door hun wetten niet aan te passen aan maatschappelijke conventies. Zoiets verzwakt een maatschappij enorm.’ 

Tekst: Rick Moeliker
Beeld: Martin Waalboer