mijn dag

Nieuws
09 november 2018 geplaatst

Michiel Bakker: 'De mens heeft veel te grote schoenen aangetrokken'

Michiel Bakker, filosofiestudent, opgegroeid in een bevindelijk milieu in Zeeland, schrijft in zijn debuutroman over de dood van God. ‘Als je je geloof verliest, kan het voelen alsof de grond onder je voeten wegzakt.’

Michiel Bakker is pas 22 lentes, maar er lijkt in zijn jonge lichaam een oude ziel te huizen. Als we het interview nog maar net begonnen zijn, in een café aan de Neude in Utrecht, zegt de filosofiestudent ineens: ‘Ik vind het leven vrij tragisch.’ De reden van die tragiek heeft alles te maken met de inhoud van zijn debuutroman, Een leven bleek niet lang genoeg, die net bij uitgeverij Brandaan is verschenen. In die roman schrijft een oude man brieven aan een vroegere geliefde, waarin hij terugblikt op het leven. Het is pittige kost. Bakker schrijft lyrisch (soms over de top) en de filosofie is nooit ver weg. Met name Nietzsches ‘God is dood’-gedachte speelt een belangrijke rol.

row-3-col-1 (3).jpg

'Ik ben een zoekende die over zijn zoektocht schrijft'

Bakker groeide op in ’s-Gravenpolder, op Zuid-Beveland. Hij ging vroeger naar de Gereformeerde Gemeenten en zat op dezelfde school als schrijfster Franca Treur. Valt Bakkers debuut in dezelfde categorie te plaatsen als Treurs werken? Dat toch niet. Treur schreef in Dorsvloer vol confetti expliciet over het milieu waarin ze opgroeide, terwijl dat milieu in ­Bakkers roman geen enkele rol speelt. ‘Na­tuurlijk heb ik die orthodoxe achtergrond’, zegt hij, ‘maar ik zie mezelf niet in een traditie van gelovigen die zich al schrijvend losmaakten. Dat is ook nooit mijn doel geweest. Ik ben een zoekende die over zijn zoektocht schrijft. Ik wil mezelf en het leven beter leren begrijpen en zoek naar dingen die voor heel veel mensen herkenbaar zijn.’

Bakker had niet de droom een roman te schrijven, enkel de behoefte wat gedachten op papier te zetten. Om van zich af te schrijven. Van het een kwam het ander. Achteraf pas ziet hij hoe belangrijk Nietzsche blijkbaar voor hem is. Geregeld komt in Bakkers roman een van Nietzsches personages ter sprake: de dwaas die op de marktplaats verkondigt dat God dood is, en dat wij hem hebben vermoord. De gevolgen daarvan zijn gigantisch, meende Nietzsche. De mens heeft alle houvast verloren en doolt richtingloos rond in een leeg universum. Maar de toehoorders op het marktplein begrijpen de dwaas niet en kijken hem bevreemd aan. De boodschap is te schokkend om te kunnen vatten.

row-2-col-1 (3).jpg

'Ik heb bewondering voor de moed van Nietzsche'

Waarom is deze scène over de dood van God zo belangrijk voor jou?
‘Ik ben geen fan van Nietzsche of zo, maar als ik iets van hem lees, denk ik wel vaak: wow! Wat hij hierin beschrijft, is enorm. Je ziet die man op het marktplein helemaal voor je, en die meute die hem apathisch aanstaart. Als er ergens tragiek uit spreekt … Om te ontdekken dat God dood is, dat is een noodlot. Ik heb bewondering voor de moed van Nietzsche. Hij durft iets onder ogen te zien wat heel ongemakkelijk is. Dit gaat niet zozeer over God; in Nietzsches tijd was álles zo’n beetje gestoeld op het christendom – de moraal, de maatschappij. Dat haalt hij onderuit. In eigen ogen was hij de ­enige die nog spoorde, terwijl hij door de ­maatschappij aan het einde van zijn leven voor knettergek werd verklaard.’

Maar waarom raakt deze scène jou?
‘Het is herkenbaar voor mensen die in de knoop komen met hun geloof, denk ik. Je kunt het gevoel hebben dat de grond onder je voeten wegzakt. We zullen altijd moeten leven met vragen; dat is de tragiek van het leven. We zijn gedoemd tot zoeken. Bovendien, als je de gedachte dat we er zijn zonder doel of zin tot het uiterste doordenkt … daar kunnen maar heel weinig mensen mee leven.’

row-1-col-1 (2).jpg

'Het besef van iets bovennatuurlijks zit nog helemaal in me'

Oneerlijk
Bakker vertelt dat hij zich als dertienjarige, rationeel ingesteld, al kon opwinden over bepaalde dogma’s in de kerk. Zo simpel als de uitverkiezing hem werd gepresenteerd, dat kwam hem als bijzonder oneerlijk voor. ‘Thuis was wel alles bespreekbaar. Ik heb fantastische ouders.’ Eenmaal student in Tilburg sloot hij zich aan bij de reformatorische studentenvereniging CSFR. Nu zoekt hij zijn eigen weg. Of hij nog in God gelooft? ‘Ik zou het niet weten. Niet in een persoon, een relationeel wezen. Maar het besef van iets bovennatuurlijks zit nog helemaal in me. Ik voel me aangetrokken tot mystiek en spiritualiteit.’

In Bakkers roman zijn vooral de consequenties van de ‘God is dood’-gedachte belangrijk: sindsdien is de mens wanhopig op zoek naar houvast. Bakker denkt daarbij ook aan de secularisatie in Nederland. ‘Eerst leek de doodverklaring van God heel aantrekkelijk. Vrijheid! Maar daarna? De filosofie heeft de dood van God deels opgevangen, met het existentialisme bijvoorbeeld, maar voor de gemiddelde mens is het wegvallen van religie een groot probleem. Wat eerst vrijheid leek, kan een gevangenis worden. Alles komt nu op je eigen bordje.’

En God lacht om zijn eigen doodverklaring, in de roman. Hij is er blij mee.
‘Ja, dat leek me aardig, om dat zo op te schrijven. Het is een beetje spottend bedoeld richting de doodverklaarders. God beseft meteen wat de mens zich op de hals haalt wanneer hij God dood verklaart. De mens heeft veel te grote schoenen aangetrokken. Bovendien, stel dat je God zou zijn: je zou toch knettergek worden van wat er allemaal over jou wordt beweerd, en van wat er in jouw naam is gedaan?’

Nietzsche waarschuwde voor nihilisme. Voel je die aantrekkingskracht?
‘Nee, ik denk niet dat ik snel nihilistisch word. Ik word enthousiast als ik existentialisten lees – Sartre, Camus. Op de vraag waarom wij er zijn, zouden zij zeggen: je bent er, that’s it. Maar ik heb te weinig kennis van het existentialisme om mezelf zo te noemen. Ik voel me momenteel vooral veel dingen níét.’

Je schrijft in je roman het jammer te vinden dat mensen zo worden getraind het ergens eens of oneens mee te zijn. Dat we zo veel discussiëren in plaats van stil te zijn. Maar wie zegt dat de mens nooit antwoorden zal vinden op de grote vragen, beweert óók iets.
‘Dat is zo. Als je jezelf niet uitspreekt, kun je je ook niet verhouden tot iemand die zich wel uitspreekt. Je ontkomt er dus niet aan. Maar waarom moeten we zo snel in voor of tegen denken? Dat wordt er op school al ingeramd. Ik moest laatst een essay schrijven over de relatie tussen kunst en religie, met als thema: “Hels of hemels?” Misschien wel allebei niet. Het grijze gebied is vaak tachtig procent, maar ja, het is lastig om daarop iets te gronden, te ijken.’

Het grijze gebied kan ook comfortabel zijn. Een beetje beschouwen en van ieder standpunt aangeven wat er mis mee is, zonder dat je jezelf ergens aan overgeeft.
‘Klopt. De mens is laf. Sowieso. Want je kunt ook zeggen: het is laf om een bepaalde theorie, of een bepaald geloof te omarmen en vervolgens elke vraag te negeren. Maar je hebt gelijk: niet ergens voor kiezen is geen garantie voor de waarachtigheid van je opvattingen.’

Verlies en verdriet
Er hangt een droevige sfeer over Bakkers debuutroman. Dat is ook niet vreemd, vertelt hij, gezien de periode waarin hij eraan begon. Geen gelukkige tijd. ‘Ik had vrij lang een relatie gehad, en die ging stuk. Dat was pijnlijk. Ik kwam in een soort identiteitscrisis. Wie was ik nou zelf, zonder die ander, zonder die relatie? Ik moest mezelf opnieuw definiëren. Ik had niet veel meegemaakt en ervoer eigenlijk voor het eerst hoe fundamenteel verlies en verdriet zijn. Die zitten diep in mensenlevens verweven.’

Je lijkt op basis van je roman niet heel optimistisch over relaties.
‘Er vindt in de mens voortdurend een strijd plaats tussen de drang tot zelfverlies en zelfverwerkelijking. Ik voel die drang tot zelfverlies, maar heb gemerkt dat je jezelf nooit helemáál kunt kwijtraken. Ook in een relatie kun je jezelf nooit volledig aan de ander geven. Je blijft ten diepste altijd een ander. Er is iets in jou wat niet weg kan.’

Tekst: Maurice Hoogendoorn
Beeld: beeld werkt